Aanpassing Wet melding collectief ontslag
21 februari 2011 | Met het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet melding collectief ontslag wordt beoogd om ook voorgenomen ontslagen die met wederzijds goedvinden (met een ontslagvoorstel of beëindigingsvoorstel) plaatsvinden onder deze wet te laten vallen.Onder de huidige wet vielen onder de meldingsplicht uit de wet alleen voorgenomen ontslagen door ontbinding via de kantonrechter of opzeggingen (met ontslagvergunning van het UWV Werkbedrijf).
25 november 2010
Advies Raad voor de Rechtspraak
Op 25 november 2010 gaf de Raad voor de rechtspraak advies over het voorgenomen wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet melding collectief ontslag aan de minister van Sociale zaken en werkgelegenheid. Hieronder vindt u de inhoud van dit advies. De originele brief vindt u hier.Geachte heer Kamp,
Bij brief van 13 oktober 2010, kenmerk AV/AR/2010/16346 verzocht uw ambtsvoorganger de Raad voor de rechtspraak (de “Raad”) advies uit te brengen inzake het voornemen te komen tot een wijziging van de Wet melding collectief ontslag (“WMCO”) in verband met het mede van toepassing verklaren van die wet op de beëindiging van een dienstbetrekking door middel van een zogenoemde beëindigingsovereenkomst (het “Wetsvoorstel”).
Over een eerdere versie van dit Wetsvoorstel heeft de Raad reeds op 12 augustus 2010 advies uitgebracht. In het eerdere advies heeft de Raad onder meer aangegeven dat er als gevolg van het Wetsvoorstel een substantiële werklasttoename werd verwacht, omdat de huidige praktijk van geregelde ontbindingen (te weten: geen noemenswaardig onderzoek naar de achtergrond van de zaak) conform de bedoeling van het Wetsvoorstel zou moeten veranderen, bijvoorbeeld in gevallen waarin de betrokken werkgever vaker voorkomt met ontbindingsverzoeken of omdat er anderszins signalen zijn. In het advies van 12 augustus 2010 is de Raad er daarom van uitgegaan dat een ambtshalve toets zou moeten worden uitgevoerd, wat in de praktijk onder meer zou betekenen dat een zitting zou moeten worden gehouden. Aangenomen is dat de bedoelde toets in 25% van de huidige geregelde ontbindingszaken zou plaatsvinden. De daarmee gemoeide kosten zijn op € 4,4 miljoen geraamd.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (het “Ministerie van SZW”) heeft na het uitbrengen van het bedoelde advies aan de Raad aangegeven dat met het Wetsvoorstel niet wordt beoogd dat de rechter in geregelde ontbindingen die betrekking hebben op bedrijfseconomische redenen ambtshalve toetst of de WMCO van toepassing is. Om dat te verduidelijken zijn de tekst van het artikel dat ziet op ontbindingsverzoeken in relatie tot de WMCO (artikel 6a) en de toelichting daarop door het Ministerie van SWZ aangepast. In verband met het voorgaande heeft het Ministerie van SZW de Raad opnieuw gevraagd te adviseren over de werklastgevolgen.
Advies
In de nieuwe versie van het
Wetsvoorstel komt artikel 6a WMCO als volgt te luiden:
1. Een verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst met een werknemer om bedrijfseconomische redenen te ontbinden op grond van verandering in de omstandigheden, bedoeld in artikel 685 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter slechts inwilligen, indien hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met een voorgenomen beëindiging als bedoeld in artikel 3, eerste lid en zo ja, of uit de bij het verzoek gevoegde stukken blijkt dat aan de verplichting tot melding en raadpleging van de belanghebbende verenigingen van werknemers en de ondernemingsraad is voldaan.
2. Indien niet is voldaan aan de verplichting tot raadpleging, bedoeld in het eerste lid, kan de rechter een verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden slechts inwilligen indien de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat het voldoen aan die verplichting de herplaatsing van de met ontslag bedreigde werknemers of de werkgelegenheid van de overige werknemers in de betrokken onderneming in gevaar zou brengen.
Uit het algemene deel van de nieuwe Memorie van Toelichting op het Wetsvoorstel volgt dat het de bedoeling van de wetgever is dat, als een werkgever een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter indient als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek wegens bedrijfseconomische redenen, deze hiertoe in beginsel alleen kan overgaan als hij zich ervan heeft vergewist of de WMCO van toepassing is en zo ja, of aan de verplichtingen die uit deze wet volgen is voldaan. Met deze "vergewisbepaling" heeft de wetgever beoogd aan te sluiten bij het reeds geldende voorschrift uit genoemd artikel dat de rechter zich bij een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst er van dient te vergewissen of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. Dit laatste volgt eveneens uit de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6a (I, onderdeel G). Daar wordt aan toegevoegd dat, net als thans praktijk is, daar waar partijen verklaren dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod, ook hier geldt dat als partijen verklaren dat de WMCO niet van toepassing is, de rechter (zonder nader onderzoek) de arbeidsovereenkomst kan ontbinden.
Door de toelichting van de Minister op twee plaatsen in de Memorie van Toelichting wordt naar de mening van de Raad in ieder geval duidelijk dat, wanneer de WMCO helemaal niet van toepassing is in een ontbindingsverzoek, volstaan kan worden met de mededeling dat de WMCO niet van toepassing is.
Vervolgens blijft over de situatie dat de WMCO wel van toepassing is. De Raad acht de gevolgen voor die situaties nu wel als overzienbaar en heeft daar ten aanzien van het kostenaspect geen opmerkingen meer over.
Werklast
De Raad gaat er op basis van de thans voorliggende wettekst en toelichting vanuit dat het in beginsel
niet (meer) nodig is om een zitting te gelasten teneinde de bedoelde toets of de WMCO van toepassing
is, uit te voeren. Hiermee komt de in het eerdere advies van de Raad d.d. 12 augustus 2010 genoemde
claim ter hoogte van 4,4 miljoen euro per jaar in zijn geheel te vervallen.
De Raad verwacht thans geen noemenswaardige werklastgevolgen meer ten gevolge van het Wetsvoorstel.
Ten slotte
Indien na het uitbrengen van dit advies het Wetsvoorstel op belangrijke onderdelen wordt gewijzigd of
indien uit nadere uitvoeringsregelgeving belangrijke werklastgevolgen voortvloeien, dan wordt de Raad
graag in de gelegenheid gesteld daarover aanvullend te adviseren. Met het oog op de voorbereiding van
de gerechten op de invoering van het Wetsvoorstel, stelt de Raad er op prijs op als hij geïnformeerd
wordt over de indiening van het Wetsvoorstel bij de Tweede en de Eerste Kamer en de plaatsing van de
definitieve wetstekst in het Staatsblad. Ook eventuele nadere regelgeving volgend op dit Wetsvoorstel
met gevolgen voor de rechtspleging valt binnen het adviesrecht van de Raad. Voor zover van
toepassing, ontvangt de Raad graag een adviesaanvraag voor deze nadere regelgeving.
Hoogachtend,
mr. J.C. van Dijk
Lid Raad voor de rechtspraak